belijden

als woordenboektrefwoord:

belijden:
(beleed, beleden), bekennen ; erkennen.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

belijden (ww):
getuigen, prediken, uitdragen, verkondigen
belijden (ww):
bekennen, opbiechten
belijden (ww):
aanhangen

als synoniem van een ander trefwoord:

aanhangen (ww) :
belijden, huldigen, naleven, steunen, toegedaan zijn
bekennen (ww) :
belijden, erkennen, opbiechten, toegeven

woordverbanden van ‘belijden’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
bekennen, belijden

Bekennen — belijden. Zijne gevoelens of daden, die niet bekend waren, mededeelen. Belijden is het meer plechtige woord; men zegt zoowel een. godsdienst belijden, als zijne zonden belijden. Zoowel zijne zonden bekennen, schuld bekennen, als kleur bekennen, d. i. toonen wat men eigenlijk is; bekennen, wordt echter meer ten opzichte van daden gebruikt, die men Verborgen had willen houden. In tegenstelling gebruikt, ziet belijden soms op eene vrijwillige, bekennen op eene min of meer afgedwongen schuldbelijdenis. Men gebruikte vroeger de pijnbank om de misdadigers tot bekentenis te brengen, die niet terstond hunne schuld beleden.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in Keur van Nederlandsche Synoniemen (1922)*:

in hedendaagse spelling:
bekennen, belijden

113. Bekennen — belijden.

Zijn gevoelens of handelingen, die niet bekend waren, mededeelen.

Bekennen duidt aan, dat men de bekentenis liever had verborgen gehouden, maar door aandrang van buiten tot het mededeelen genoodzaakt wordt. De noordenaar moest tegenover zooveel deugdelijke bewijzen zijn misdaad wel bekennen.

Belijden ziet meer op een innerlijken aandrang en gaat vooral met een gevoel van berouw gepaard; het heeft dus een edeler beteekenis: Ootmoedig beleed hij zijn schuld. Het wordt ook ten opzichte van godsdienstige gevoelens gebruikt: Zijn zonden belijden.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
bekennen, belijden

BEKENNEN, BELIJDEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 258.

in hedendaagse spelling:
erkennen, bekennen, klappen, opbiechten, belijden, verzaken, loochenen, ontkennen, miskennen

ERKENNEN, BEKENNEN, KLAPPEN, OPBIECHTEN, BELIJDEN, VERZAKEN, LOOCHENEN, ONTKENNEN, MISKENNEN

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 1, bladzijde 260.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0044 c