hangen

als woordenboektrefwoord:

hangen:
(hing, gehangen) ; de zaak is nog hangende, nog niet afgedaan.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

hangen (ww):
gehecht zijn, hechten, kleven, steken, vastzitten
hangen (ww):
drenzen, hangerig zijn, rondhangen
hangen (ww):
haken, verlangen
hangen (ww):
ophangen, worgen
hangen (ww):
drijven, zweven
hangen (ww):
afhangen

als synoniem van een ander trefwoord:

treuzelen (ww) :
draaien, dralen, dreutelen, hangen, sammelen, talmen, teuten, traineren
slampampen (ww) :
hangen, leeglopen, luieren, lummelen, nietsnutten, rondhangen
slobberen (ww) :
flodderen, hangen, slodderen, wapperen
hechten (ww) :
gehecht zijn, hangen, verknocht zijn
plakken (ww) :
hangen, treuzelen, zitten
vallen (ww) :
hangen, passen, zitten
zitten (ww) :
gezeten zijn, hangen
ophangen (ww) :
hangen, uithangen
ophangen (ww) :
hangen, opknopen
zweven (ww) :
hangen, waren
leunen (ww) :
hangen

woordverbanden van ‘hangen’ grafisch weergegeven

zie ook:
slap hangen, hang

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0026 c