luisteren

als woordenboektrefwoord:

luisteren:
(geluisterd), horen naar.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

luisteren (ww):
gehoorzamen, volgen, opvolgen
luisteren (ww):
afluisteren, luistervinken
luisteren (ww):
aanhoren, horen, toehoren
luisteren (ww):
opletten

als synoniem van een ander trefwoord:

gehoorzamen (ww) :
buigen, luisteren, opvolgen
toehoren (ww) :
luisteren

woordverbanden van ‘luisteren’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
aanhoren, toehoren, luisteren, toeluisteren

Aanhooren — toehooren — luisteren — toeluisteren. Alle beteekenen een min of meer aandachtig hooren. Toehooren en toe luisteren geven te kennen, dat men moeite aanwendt om te hooren; terwijl hooren enkel het opvangen van klanken door de gehoorzenuwen aanduidt, veronderstelt luisteren, dat men in staat en begeerig is om de klanken, die men hoort, te verstaan. Deze begeerte om te verstaan kan bij aanhooren geheel ontbreken; bovendien is dit woord meer op het opvangen van den zin der woorden dan van den enkelen klank toepasselijk. Hij wilde zulke gemeene taal niet aanhooren en evenmin luisteren naar de vleiende woorden van den verleider. Hoor toe; wanneer gij zoo heen en weer draait, kunt gij niet verstaan wat ik zeg. Luister goed toe, want iemand met zulk eene zachte stem kan men bijna niet verstaan. Den geheelen nacht hoorde ik het huilen van den wind in den schoorsteen, hoewel ik mijn best deed er niet naar te luisteren.

in hedendaagse spelling:
horen, luisteren

Hooren — luisteren. Hooren kan onwillekeurig geschieden. Luisteren is opzettelijk en scherp naar iets hooren. Wat kan men den wind hier hooren! Luister wel naar hetgeen ik zeggen zal. Aan de deur staan luisteren. Zie ook Aanhooren.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in Keur van Nederlandsche Synoniemen (1922)*:

in hedendaagse spelling:
horen, luisteren

55. Hooren — luisteren.

Door het gehoor iets waarnemen.

Hooren drukt uit, dat dit onwillekeurig, soms zelfs tegen onzen zin kan geschieden: Wij hooren altijd het geloop op de verdieping boven ons.

Luisteren drukt uit, dat men met opzet en aandacht naar iets of iemand hoort en is dus veel sterker. De keukenmeid luisterde aan de deur, wat er binnen gesproken werd.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
horen, luisteren

HOOREN, LUISTEREN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 258.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

zie ook:
luisteren naar

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0016 c