scheel

als woordenboektrefwoord:

scheel:
o. (schelen), haarscheiding.
scheel:
bn. (scheler, -st), scheef ; dwarsziend.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

scheel (zn):
deksel
scheel (bn):
loens, scheef

als synoniem van een ander trefwoord:

louche (zn) :
loens, scheel
loens (bn) :
scheel

woordverbanden van ‘scheel’ grafisch weergegeven

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
onderscheid, verscheidenheid, scheel, verschil, onenigheid, verdeeldheid, tweespalt, twist, scheuring, krakeel

ONDERSCHEID, VERSCHEIDENHEID, SCHEEL, VERSCHIL, ONEENIGHEID, VERDEELDHEID, TWEESPALT, TWIST, SCHEURING, KRAKEEL

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 1, bladzijde 432.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0015 c