gracht

als woordenboektrefwoord:

gracht:
v. (-en), gegraven waterleiding ; bewoonde kade.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

gracht (zn):
kanaal, singel, slotgracht, stadsgracht, vaart

als synoniem van een ander trefwoord:

kanaal (zn) :
diep, gracht, vaart, waterweg
vaart (zn) :
gracht, kanaal, waterweg
plomp (zn) :
gracht, sloot, water

woordverbanden van ‘gracht’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

burgwal, gracht, kaai, kade

Burgwallen noemt men te Amsterdam de thans aan weerskanten met huizen bebouwde, maar vroeger tot de oude bewalling der stad behoord hebbende smalle grachten. Ook in enkele andere Hollandsche steden komt de naam voor. Grachten zijn de gegraven waterleidingen b.v. om of binnen steden, thans vooral de bevaarbare waterwegen in de steden, waarlangs aan beide zijden een met huizen bebouwde weg loopt. Kaai (kade) is de hooge, gemetselde oeverwal langs eene haven of een kanaal, die al dan niet met huizen bezet is, en niet noodzakelijk eene overzijde behoeft te hebben.

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 426:

burgwal, gracht, kaal

in Nederduitsche synonymen (1836), band 2, bladzijde 293:

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband en voorbeeldzinnen:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0018 c