vloed

als woordenboektrefwoord:

vloed:
m. (-en), wassend tij ; grote stroom ; grote menigte.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

vloed (zn):
gulp, stroom, vloeiing
vloed (zn):
menigte

als synoniem van een ander trefwoord:

stroom (zn) :
berg, golf, massa, menigte, overvloed, stoet, stortvloed, straal, toevloed, uitbarsting, uitstorting, vloed
overstroming (zn) :
vloed, watersnood, watervloed
menigte (zn) :
stroom, vloed, vloedgolf, zee
golf (zn) :
gulp, stroom, vloed

woordverbanden van ‘vloed’ grafisch weergegeven

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
geut, geul, sleuf, sloot, gracht, vliet, vaart, kanaal, kil, beek, rivier, vloed, stroom

GEUT, GEUL, SLEUF, SLOOT, GRACHT, VLIET, VAART, KANAAL, KIL, BEEK, RIVIER, VLOED, STROOM

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 2, bladzijde 293.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

vloed
eb

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.002 c