ontslaan

als woordenboektrefwoord:

ontslaan:
(ontsloeg, ontslagen), vrijgeven ; afdanken ; bevrijden.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

ontslaan (ww):
afdanken, afmonsteren, afzetten, bedanken, de laan uitsturen, de zak geven, eruit gooien, ontzetten, wegsturen, wegzenden
ontslaan (ww):
ontheffen, vrijlaten, vrijspreken, vrijstellen

als synoniem van een ander trefwoord:

bevrijden (ww) :
afhelpen, emanciperen, losmaken, ontdoen, ontheffen, ontketenen, ontslaan, ontvoogden, redden, verlossen, vrijlaten, vrijmaken, vrijstellen
afzetten (ww) :
de laan uitsturen, ontslaan, onttronen, wegsturen, wippen
wegzenden (ww) :
afdanken, afzetten, ontslaan, verwijderen
afdanken (ww) :
ontslaan, opzeggen, wegsturen
afschaffen (ww) :
afdanken, ontslaan, opgeven
ontzetten (ww) :
afzetten, ontslaan
bedanken (ww) :
ontslaan

woordverbanden van ‘ontslaan’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
afdanken, afschaffen, afscheid geven, afzetten, ontslaan

Afdanken — afschaffen — (zijn) afscheid geven — afzetten — ontslaan. Zich niet langer van iemand of iets bedienen, iemand of iets wegzenden, wegdoen. Zijn afscheid geven, afzetten en ontslaan worden uitsluitend van personen gezegd; afdanken bij voorkeur van personen, afschaffen bij voorkeur van zaken. Gebruiken, gewoonten, toetten afschaffen — ze buiten werking stellen. Afschaffen van personen gebezigd onderstelt altijd, dat het ontslag een gevolg is van de opheffing der bediening. Zij hebben den huisknecht afgeschaft, en houden nu slechts eene meid. Equipage afschaffen. Iemand zijn afscheid geven is iemand den last geven, of te kennen geven, dat hij zich moet verwijderen. Met deze woorden stond de vorst op en gaf dus den minister zijn afscheid. Met afdanken is, in onderscheiding van afzetten, altijd het bijdenkbeeld verbonden, dat het ontslag geen gevolg is van ontevredenheid over de verleende diensten. Afzetten daarentegen sluit dit laatste altijd uitdrukkelijk in. Ontslaan wil eigenlijk zeggen van den band losmaken; verder: ontheffen van verplichtingen, die uit eene verbintenis voortvloeien. Het laat in het midden of de reden voor het ontheffen der verplichting uit ontevredenheid van dengene, die ontslaat, voortspruit of niet. De troepen werden betaald en afgedankt. De officieren werden ontslagen. Hij werd van alle uit het contract voortvloeiende verplichtingen ontslagen. De ontrouwe rentmeester werd afgezet.

in hedendaagse spelling:
bevrijden, ontslaan, redden, verlossen

Bevrijden — ontslaan — redden — verlossen. Iets kwaads, dat iemand in zijne bewegingen belemmert of hem in zijne macht heeft, van hem wegnemen, of omgekeerd iemand aan iets kwaads onttrekken. In het laatste geval bezigt men redden, dat zoowel van personen als van zaken gebezigd worden kan; de andere woorden worden alleen van personen gezegd. Men redt de opvarenden, maar ook de goederen van een gestrand vaartuig. Bevrijden — vrij maken — en verlossen — los maken — onderstellen dat iemand in de macht van derden is, ontslaan — vrijlaten — dat men zelf macht over hem heeft. Een gevangene wordt bevrijd, verlost, als iemand hem in staat stelt de gevangenis te ontvluchten; hij wordt ontslagen, als zijn straftijd ten einde is, en de directeur der gevangenis hem op vrije voeten stelt.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
afdanken, afschaffen, afscheid geven, bedanken, ontslaan

AFDANKEN, AFSCHAFFEN, AFSCHEID GEVEN, BEDANKEN, ONTSLAAN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 95.

in hedendaagse spelling:
afzetten, ontslaan, afdanken, oorlof, afscheid, de schop geven, wegjagen, wegzenden, laten gaan

AFZETTEN, ONTSLAAN, AFDANKEN, OORLOF, AFSCHEID, DEN SCHOP GEVEN, WEGJAGEN, WEGZENDEN, LATEN GAAN

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 2, bladzijde 18.

in hedendaagse spelling:
bevrijden, ontslaan, redden, verlossen

BEVRIJDEN, ONTSLAAN, REDDEN, VERLOSSEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 347.

in hedendaagse spelling:
slaken, ketens uitwringen, verlossen, bevrijden, ontslaan, ontheffen, ontzetten, redden, behouden, ophelpen

SLAKEN, KETENS UIT WRINGEN, VERLOSSEN, BEVRIJDEN, ONTSLAAN, ONTHEFFEN, ONTZETTEN, REDDEN, BEHOUDEN, OPHELPEN

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 2, bladzijde 273.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

ontslaan
aannemen, aanstellen, benoemen, rekruteren

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0026 c