draad

als woordenboektrefwoord:

draad:
m. (draden), als voorwerpsnaam.
draad:
o. als stofnaam: het ijzerdraad.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

draad (zn):
fil, kabel, koord, lijn, snaar, snoer, streng, touw
draad (zn):
garen, rijgdraad, streng
draad (zn):
spinsel, vezel
draad (zn):
schroefdraad
draad (zn):
lont, pit

als synoniem van een ander trefwoord:

streng (zn) :
band, bindgaren, bindtouw, draad, klit, koord, paktouw, pees, reep, snoer, touwtje, veter, vlecht
lijn (zn) :
draad, koord, snaar, snoer, spanlijn, spantouw, touw
touw (zn) :
band, draad, kabel, koord, lijn, reep, tros, zeel
koord (zn) :
band, draad, kabel, lijn, snoer, streng, touw
pees (zn) :
draad, snoer, streng, vezel, zeen
leiding (zn) :
buis, draad, koker, pijp
snoer (zn) :
band, draad, koord, pees
pit (zn) :
draad, lont
fil (zn) :
draad

woordverbanden van ‘draad’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

snoer:
touw, draad, sim, lijn

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

Datgene, waardoor de deelen van een betoog enz. met elkander in verband staan. Heeft men alleen het oog op het nauwe, innerlijke verband tusschen de deelen onder elkander, dan spreekt men van verband of samenhang. Verband is hiervoor het meest gebruikelijke en oudste woord. Wanneer eene hoofdgedachte in de verschillende onderdeden terug gevonden kan worden, dan noemt men dit de draad. Het kan dus alleen gebezigd worden van zoodanige zaken, zooals eene rede, een verhaal, die een groot aantal onderdeelen hebben. Waar de draad al te lang wordt uitgesponnen, daar ontstaat langdradigheid.

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 108:

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 107:

draad, samenhang

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 106:

draad, vezel

zie ook:

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband en voorbeeldzinnen:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.002 c