voorwenden

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

voorwenden (ww):
affecteren, doen alsof, fingeren, huichelen, pretenderen, simuleren, veinzen, voorgeven

als synoniem van een ander trefwoord:

beweren (ww) :
betogen, betuigen, claimen, getuigen, pretenderen, staande houden, stellen, suggereren, verklaren, volhouden, voorgeven, voorwenden, zeggen
veinzen (ww) :
affecteren, doen alsof, fingeren, gebaren, huichelen, liegen, nabootsen, simuleren, toneelspelen, voorgeven, voorwenden
fingeren (ww) :
doen alsof, simuleren, spelen, veinzen, verdichten, verzinnen, voorwenden
spelen (ww) :
doen alsof, fingeren, uithangen, veinzen, voorgeven, voorwenden
simuleren (ww) :
doen alsof, fingeren, veinzen, voorgeven, voorwenden
pretenderen (ww) :
beweren, doen alsof, veinzen, voorgeven, voorwenden
huichelen (ww) :
doen alsof, simuleren, veinzen, voorwenden
affecteren (ww) :
voorwenden

woordverbanden van ‘voorwenden’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
voorgeven, voorwenden

Voorgeven — voorwenden. Zegt men, dat iemand iets voorgeeft, dan trekt men de waarheid van zijne woorden in twijfel; zegt men, dat hij iets voorwendt, dan weigert men hem geloof en denkt daarbij dat hij zulks slechts zegt, om iets anders onbemerkt of ongestraft te kunnen doen. Hij geeft voor nog eerst twintig jaar oud te zijn. Vorsten en staatslieden weten behendig ziekte voor te wenden, om zich van eene onaangename taak te verschoonen.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in Keur van Nederlandsche Synoniemen (1922)*:

in hedendaagse spelling:
voorgeven, beweren, voorwenden

100. Voorgeven — beweren — voorwenden.

Deze woorden worden gebruikt om aan te duiden, dat men twijfelt aan de waarheid, van hetgeen een ander zegt.

Beweren geeft alleen den blooten twijfel te kennen; het beweerde kan wel waar zijn, maar het moet nog nader bewezen of aangetoond worden; zoolang het bewijs niet is geleverd, kan men het beweerde nog niet als waarheid aannemen. Hij beweert, dat hij in een half uur van Baarn naar Amersfoort kan fietsen (d.w.z. ik beschouw het wel niet als onmogelijk, maar gelooven doe ik het nog niet, vóórdat hij dien rit van 12 K.M. in een half uur gedaan heeft). De dagbladen beweren, dat de vrede gisteren geteekend is (d.w.z. men twijfelt aan de waarheid, zoolang nadere bewijzen nog ontbreken).

Voorgeven drukt uit, dat men alle reden heeft om aan de waarheid van iemands woorden te twijfelen; het is dus zoo goed als zeker, dat hij onwaarheid spreekt. Zij gaf voor, hoofdpijn te hebben en mij daarom niet te kunnen ontvangen.

Zegt men van iemand, dat hij iets voorwendt, dan geeft men te kennen, dat hij opzettelijk een leugen bezigt, om een of ander doel te bereiken; hetgeen voorgewend wordt, is dus beslist een leugen. Zij wendde hoofdpijn voor, teneinde mij niet behoeven te ontvangen.

Beweren onderstelt dus, dat de waarheid van 't beweerde mogelijk is, voorgeven, dat de waarheid sterk betwijfeld mag worden en voorwenden, dat de waarheid geheel buitengesloten is.

<hr>

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
voorgeven, beweren, voorwenden

VOORGEVEN, BEWEREN, VOORWENDEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 3, bladzijde 277.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0018 c