klimmen

als woordenboektrefwoord:

klimmen:
(klom, geklommen), klauteren ; stijgen ; rijzen.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

klimmen (ww):
omhooggaan, opgaan, opstijgen, rijzen, stijgen, toenemen, vermeerderen
klimmen (ww):
bestijgen, klauteren

als synoniem van een ander trefwoord:

toenemen (ww) :
aangroeien, aanwakkeren, aanwassen, aanzwellen, beginnen op te zetten, groeien, klimmen, lengen, meerderen, omhooggaan, omhoogkomen, opgaan, opkomen, oplopen, opsteken, rijzen, stijgen, uitdijen, vergroten, verhevigen, verhogen, vermeerderen, versterken, wassen, zich uitbreiden
opkomen (ww) :
groeien, klimmen, omhooggaan, omhoogkomen, ontspruiten, ontstaan, opgroeien, oprijzen, opschieten, opstijgen, opvaren, opzetten, overeind komen, rijzen, stijgen, toenemen, uitkomen, uitlopen, uitschieten, verrijzen, voortkomen, voortspruiten
stijgen (ww) :
aangroeien, aantrekken, aanwassen, groeien, klimmen, meerderen, omhooggaan, omhoogkomen, opgaan, opklimmen, opkomen, oplopen, rijzen, toenemen, vermeerderen, wassen
opklimmen (ww) :
klauteren, klimmen, omhooggaan, opgaan, oplopen

woordverbanden van ‘klimmen’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
klimmen, klauteren

Klimmen — klauteren. Zich in de hoogte begeven door zich met handen en voeten ergens aan vast te klemmen. Klauteren gaat roet meer moeite gepaard dan klimmen; het duidt hepaald aan, dat men zich van handen en voeten bedient; klimmen kan ook alleen met de voeten geschieden. Men klimt op een berg, op een ladder, in de mast. Men klautert tegen een muur, eene rots op.

in hedendaagse spelling:
klimmen, rijzen, stijgen

Klimmen — rijzen — stijgen. Zich opwaarts begeven. Stijgen, oorspronkelijk in het algemeen gaan beteekenend, heeft in den loop der tijden de meer beperkte beteekenis van naar boven gaan gekregen. Tegenover rijzen geeft stijgen te kennen, dat er beweging met het lichaam bij plaats heeft; terwijl rijzen alleen beteekent zich verheffen, hooger stand innemen, en van levenlooze voorwerpen alleen rijzen kan gezegd worden, niet stijgen, kunnen van levende wezens beide woorden gebruikt worden. Rijzen beteekende vroeger ook in 't algemeen gaan; rijzende blâren. Klimmen beteekent eigenlijk, zich bij het rijzen of stijgen vastklemmen aan iets, doch wordt figuurlijk geheel gelijk gesteld met stijgen en rijzen. Van sommige voorwerpen gebruikt men zoowel rijzen en stijgen, als klimmen, b.v. de vlieger stijgt; hij klimt nog hooger. Men zegt: De barometer rijst, en het kwik stijgt, maar ook de thermometer is nog al gestegen, het kwik rijst nog.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in Keur van Nederlandsche Synoniemen (1922)*:

in hedendaagse spelling:
klimmen, klauteren, stijgen, rijzen

152. Klimmen — klauteren — stijgen — rijzen.

Zich in de hoogte begeven.

Stijgen kan met een enkelen stap geschieden: hij stijgt te paard, terwijl klimmen altoos meer stappen onderstelt en dus ook met meer moeite gepaard gaat: hij klimt den berg op. Heeft men bij het klimmen ook de handen noodig, dan spreekt men van klauteren; dit gaat dus met nog meer moeite gepaard dan klimmen: hij klauterde tegen de rots op. Rijzen sluit alle begrip van inspanning uit: het water rijst, de zon rijst, enz. In figuurlijken zin gebruikt men zonder onderscheid in beteekenis voor rijzen ook wel stijgen of klimmen, maar nooit klauteren, bijv.: „de lofzang klimt uit Sions zalen".

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
klimmen, stijgen, klauteren, rijzen

KLIMMEN, STIJGEN, KLAUTEREN, RIJZEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 312.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

klimmen
dalen
zie ook:
klim

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0015 c