opsteken

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

opsteken (ww):
opheffen, oplichten, optillen, spitsen
opsteken (ww):
leren, oppikken
opsteken (ww):
omhoogsteken
opsteken (ww):
aansteken
opsteken (ww):
toenemen

als synoniem van een ander trefwoord:

toenemen (ww) :
aangroeien, aanwakkeren, aanwassen, aanzwellen, beginnen op te zetten, groeien, klimmen, lengen, meerderen, omhooggaan, omhoogkomen, opgaan, opkomen, oplopen, opsteken, rijzen, stijgen, uitdijen, vergroten, verhevigen, verhogen, vermeerderen, versterken, wassen, zich uitbreiden
ontdekken (ww) :
aantreffen, achterhalen, bemerken, bespeuren, blootleggen, detecteren, gewaarworden, in het oog krijgen, merken, onderscheiden, ondervinden, opduikelen, opspeuren, opsporen, opsteken, te weten komen, tot de ontdekking komen, uitpluizen, uitvinden, vinden
leren (ww) :
bedreven raken, bestuderen, blokken, in je oren knopen, memoriseren, ondervinden, oppikken, opsteken, studeren
opheffen (ww) :
heffen, omhooghalen, omhoogtillen, ophalen, ophijsen, oplichten, opsteken, optillen, tillen, verheffen
ondervinden (ww) :
beleven, doorleven, ervaren, gevoelen, gewaarworden, leren, lijden, meemaken, ondergaan, opsteken
aansteken (ww) :
aandoen, aanmaken, afstrijken, in brand steken, ontsteken, opsteken
oplichten (ww) :
heffen, lichten, opbeuren, opheffen, opnemen, opsteken, optillen
spitsen (ww) :
opsteken

woordverbanden van ‘opsteken’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

in hedendaagse spelling:
aansteken, ontsteken, opsteken, in brand steken, brandstichten, brand veroorzaken, vuur maken

Aansteken — ontsteken — opsteken — in brand steken — brandstichten — brand veroorzaken — vuur maken. Iets aan het branden brengen, doen ontvlammen. Opsteken wordt bijna uitsluitend van tot licht geven bestemde dingen gezegd (uitgezonderd eene pijp of sigaar opsteken in de beteekenis van gaan rooken), ontsteken alleen van hetgeen als vuur brandt of ontvlamt, aansteken geldt van beide. Ontsteken onderstelt het aanwezig zijn van brandstof, die maar even met vuur behoeft in aanraking te komen om te branden, wat bij aansteken niet altijd het geval is. Men steekt eene kaars, eene lamp op en aan; kruit en reukwerk worden ontstoken of aangestoken. Eene pijp en eene sigaar kunnen worden aangestoken met eene lucifer. In brand steken onderstelt niet noodzakelijk strafbare bedoelingen, zooals met brand stichten altijd het geval is. Ras op, dat ge den boel niet in brand steekt. Brand stichten geeft uitdrukkelijk te verstaan, dat het brand veroorzaken met misdadige oogmerken of uit vijandschap geschiedt. Brand veroorzaken — ook van levenlooze voorwerpen in gebruik — geeft te kennen, dat het in brand steken zonder opzet, dus bij ongeluk of bij toeval geschiedt. Wie brand stichtte werd opgehangen. De brand is door de kat veroorzaakt, doch volgens sommigen door het broeien van het hooi. Vuur maken is iets in brand steken met een goed doel — om zich te warmen, iets aan te steken of spijzen te bereiden. De reizigers wilden vuur maken, doch daar alle hout vochtig was, gelukte het hun niet en konden zij dus geen eten koken.

in hedendaagse spelling:
beuren, innen, ontvangen, opsteken

Beuren — innen — ontvangen — opsteken. Alle duiden het bezit nemen van geld aan. Ontvangen is het algemeene woord, waarmede tevens wordt aangeduid dat er overgifte plaats heeft. Aan innen is de bijgedachte eener vordering verbonden. Beuren ziet meer op het nemen van het geld, dat voor overgereikte waren is neergelegd op tafel of toonbank, terwijl in opsteken de gedachte ligt van geld in den zak steken. Ik heb het geld, dat gij mij door uw knecht gezonden hebt, behoorlijk ontvangen. Hoewel ik niet geloof dat mij zooveel toekomt, zal ik het geld maar opsteken, nu gij er op staat. Ik heb run de week nog maar drie gulden gebeurd. De bode van het fonds int de gelden.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
aansteken, ontsteken, opsteken, in de brand steken

AANSTEKEN, ONTSTEKEN, OPSTEKEN, IN DEN BRAND STEKEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 53.

in hedendaagse spelling:
openen, opdoen, open doen, opmaken, open maken, open sluiten, opsteken, open steken, open krijgen, open laten, open blijven

OPENEN, OPDOEN, OPEN DOEN, OPMAKEN, OPEN MAKEN, OPEN SLUITEN, OPSTEKEN, OPEN STEKEN, OPEN KRIJGEN, OPEN LATEN, OPEN BLIJVEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 3, bladzijde 60.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

zie ook:
aandoen ontsteken opsteken

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.002 c