gift

als woordenboektrefwoord:

gift:
v. (-en), geschenk ; aalmoes.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

gift (zn):
bijdrage, donatie, gave, geschenk, gratificatie, legaat, schenking
gift (zn):
aalmoes
gift (zn):
gif

als synoniem van een ander trefwoord:

geschenk (zn) :
aardigheid, attentie, cadeau, donatie, gave, gift, kleinigheid, present, presentje, schenking, verering
schenking (zn) :
bijdrage, cadeau, donatie, dotatie, gave, geschenk, gift, present, subsidie, toelage
gratificatie (zn) :
boni, bonus, extraatje, gift, premie, remuneratie, toelage, toeslag, vergoeding
gave (zn) :
cadeau, donatie, dotatie, geschenk, gift, present, schenking
cadeau (zn) :
donatie, geschenk, gift, present, toegift
aandeel (zn) :
bijdrage, contributie, gift, inbreng
zegening (zn) :
gave, gift, gunst, voorspoed, weldaad
offer (zn) :
gave, gift, offerande, opoffering
bijdrage (zn) :
donatie, gave, gift, schenking
dotatie (zn) :
donatie, gave, gift, schenking
present (zn) :
cadeau, gave, geschenk, gift
aalmoes (zn) :
gift

woordverbanden van ‘gift’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

in hedendaagse spelling:
gaaf, gave, aalmoes, geschenk, gift, liefdegave

Gaaf (gave) — aalmoes — geschenk — gift — liefdegave. Gave, is de algemeene uitdrukking, en beteekent alles wat gegeven wordt, zonder dat er door uitgedrukt wordt, of men er dank voor krijgt, of dien er, voor verwacht. Dit laatste is bij gift, geschenk het geval. Terwijl gift dit meer algemeen uitdrukt, is geschenk eene gift, die men geeft om genoegen te doen of eer te bewijzen. Waar men door te geven in den nood, of de behoefte van iemand voorziet, kan men zoowel gift als gave gebruiken. Gave is vooral eene gift uit liefde. Aalmoes, eigenlijk werk van barmhartigheid, is eene gift uit medelijden of barmhartigheid aan een arme geschonken; met het oog op de beweegreden wordt zulk een gift soms liefdegave genoemd. Door giften en gaven verstaat men allerhande dingen, die min of meer als liefdegave, als aalmoes, worden geschonken. Alle goede gave komt van boven. Eene huwelijksgift. Een verjaarsgeschenk. Hij leeft van giften en gaven, van zich zelf heeft hij niets.

Wat heeft zich menigwerf uw rijke gunst ontloken Voor mij in gift op gift!

in hedendaagse spelling:
gift, schenking

Gift — schenking. Eene daad in of buiten rechten, waarbij iets door den eenen persoon aan een ander in eigendom wordt gegeven. Schenking is de overeenkomst, waarbij de schenker zich verbindt iets te geven aan een ander, die dit aanneemt. Gift is de overgave in eigendom van eene zaak, die tegelijk in ontvangst wordt genomen. Bij gift heeft dus de overlevering tegelijk met de daad van het afstaan plaats; bij schenking is de schenker krachtens zijne schenking verplicht het geschonkene aan den begiftigde te geven.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
gaaf, gave, gift, geschenk

GAAF, GAVE, GIFT, GESCHENK

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 180.

in hedendaagse spelling:
geschenk, gift, gave, talent, vermogen, bekwaamheid, geschiktheid

GESCHENK, GIFT, GAVE, TALENT, VERMOGEN, BEKWAAMHEID, GESCHIKTHEID

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 1, bladzijde 28.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0022 c