falen

als woordenboektrefwoord:

falen:
(gefaald), dwalen.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

falen (ww):
buizen, feilen, floppen, misgaan, mislukken, misschieten, missen, misslaan, niet slagen, onderuitgaan, scheeflopen, sjezen, spaak lopen, stralen, stranden, stuklopen, tekortschieten, weigeren, zakken
falen (ww):
ontbreken
falen (zn):
echec, mislukking, misser

als synoniem van een ander trefwoord:

feilen (ww) :
dwalen, falen, mistasten, tekortschieten, zich vergissen
ontbreken (ww) :
falen, mangelen, mankeren, missen, schorten
stralen (ww) :
afgaan, buizen, falen, sjezen, zakken
missen (ww) :
falen, misgaan, mislukken
sjezen (ww) :
falen, stralen, zakken
mislukken (ww) :
falen, sjezen, zakken
tekort (zn) :
falen, fout, manco, tekortkoming

woordverbanden van ‘falen’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
dwalen, dolen, falen, feilen, mistasten, zondigen

Dwalen — dolen — falen — feilen — mistasten — zondigen. Het verkeerde voor het rechte nemen. Dwalen is zich vergissen in den weg, dien men in moest slaan; figuurlijk dus, eene verkeerde daad doen of eene onjuiste gedachte koesteren, terwijl men meent goed te handelen. Dolen is den weg kwijt zijn, en daardoor verkeerd handelen. Falen is te kort komen in zijne kracht, zich bedriegen in zijn oordeel. Wie dwaalt meent juist te oordeelen, maar maakt een verkeerd besluit; wie doolt komt niet tot een besluit, maar raakt verward in zijn gedachten-gang; wie faalt heeft zijne krachten niet goed berekend en schiet te kort. Feilen is eigenlijk hetzelfde als falen, maar wordt zelden gebruikt. Mistasten is verkeerd handelen, doch zonder opzet om het verkeerde te doen; zondigen is in de eerste plaats het overtreden van door God gestelde wetten; verder wordt het ook gezegd van het overtreden van maatschappelijke wetten, handelen tegen het algemeen aangenomen gebruik.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
feilen, falen, dwalen

FEILEN, FALEN, DWALEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 168.

in hedendaagse spelling:
feilen, falen, mangelen, ontbreken, gebreken, missen, ontstaan

FEILEN, FALEN, MANGELEN, ONTBREKEN, GEBREKEN, MISSEN, ONTSTAAN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 166.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

falen
lukken, slagen

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0027 c