heersen

als woordenboektrefwoord:

heersen:
(geheerst), heerschappij voeren ; zijn wil doorzetten.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

heersen (ww):
beheersen, besturen, domineren, gebieden, overheersen, regeren
heersen (ww):
bestaan, optreden, voorkomen
heersen (ww):
grasseren, woeden

als synoniem van een ander trefwoord:

beheersen (ww) :
besturen, beteugelen, bezitten, controleren, de baas spelen over, de baas zijn, domineren, heersen, onderdrukken, overheersen, regeren, sturen
gelden (ww) :
aanbelangen, aangaan, betreffen, doelen op, heersen, meespelen, raken, spelen
prevaleren (ww) :
de overhand hebben, domineren, heersen, overheersen, primeren, voorgaan
besturen (ww) :
aanvoeren, beheersen, beheren, heersen, mennen, regeren
regeren (ww) :
besturen, de scepter zwaaien, heersen, leiden
gebieden (ww) :
heersen, meester zijn
domineren (ww) :
heersen, regeren
grasseren (ww) :
heersen, woeden

woordverbanden van ‘heersen’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
beheersen, besturen, gebieden, heersen, regeren

Beheerschen — besturen — gebieden — heerschen — regeeren. Macht hebben om uitvoering aan zijn wil te geven. Beheerschen is het transitivum van heerschen; beide stellen op den voorgrond macht, waaraan kracht verbonden is, hetzij deze ontstaat door de meerderheid van dengene, die ze uitoefent, hetzij door zijne hooge plaats. Gebieden onderstelt een onbeperkt gezagvoeren. Regeeren wordt alleen gezegd van koningen en andere vorsten. Besturen veronderstelt inzicht en beleid, en meer het leiden der zaken dan eene uitoefening van eigen macht. Beheerschen, regeeren en besturen worden ook figuurlijk gebezigd. Bij beheerschen denkt men aan zedelijke overmacht en krachtigen wil; bij het tweede aan willekeur van hem, die regeert en aan onmacht van den geregeerde; bij het laatste aan overleg en beleid. Hij heerscht onbeperkt. Hij beschikt en gebiedt over alles. Willem I regeerde over Nederland. Thiërs bestuurde de Fransche republiek. De volksmeening beheerscht de wereld. „Zijne vrouw regeert hem" is niet hetzelfde als „zijne vrome bestuurt hem."

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in Keur van Nederlandsche Synoniemen (1922)*:

in hedendaagse spelling:
regeren, besturen, heersen

101. Regeeren — besturen — heersenen.

Gezag over een ander uitoefenen.

Heerschen duidt de hoogste trap van macht aan; het wijst op „heer" zijn, de opperste over allen, die geheel naar eigen inzicht kan handelen. God heerscht als aller koning. De Czaar heerschte onbeperkt.

Regeeren is minder sterk en wordt alleen gebezigd voor het gezag-uitoefenen van vorsten (rex, 2e naamv regis = koning). In figuurlijken zin wijst het er op, dat het gezag met groote willekeur wordt uitgeoefend en anderen onmachtig maakt; bijv. Deze vrouw regeert haar man.

Besturen doet minder denken aan het gezag van den bestuurder, dan wel aan een leiden overeenkomstig vastgestelde bepalingen. Vandaar dat men het vooral bezigt van staatshoofden, die geen souvereine macht bezitten. Jan de Witt bestuurde de Republiek met groot beleid. Overdrachtelijk duidt het een leiden aan met inzicht en overleg: Deze vrouw bestuurt haar man = zij leidt hem, waarheen zij wenscht. (Vergelijk boven: Deze vrouw regeert haar man). Een fabriek besturen.

Waarom zegt men: de pokken heerschen? en niet: regeeren of besturen?

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

zie ook:
heersen over

bij andere sites:

synoniemen-sites:
Alexandria - Interglot - ONW - MijnWoordenboek
woordenboeken:
ANW - WNT - Van Dale Hedendaags Nederlands - WikiWoordenboek - puzzelwoordenboek
oorsprong:
etymologiebank
zinsverband:
context
vertalen:
naar het
overige:
Citaten - Wikipedia - Google

debug info: 0.0031 c