laf

als woordenboektrefwoord:

laf:
bn. bw. (-fer, -st), zouteloos, krachteloos ; zonder moed ; mal.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

laf (bn):
flauw, kinderachtig, melig, niet geestig, slap, smakeloos, zoetsappig, zouteloos
laf (bn):
bang, blo, kleinhartig, kleinmoedig, lafhartig, schijterig
laf (bn):
gemeen, karakterloos, onedel
laf (bn):
drukkend, loom, zwoel

als synoniem van een ander trefwoord:

bang (bn) :
angstig, angstvallig, angstwekkend, bangelijk, bedeesd, beducht, benard, benauwd, beschroomd, bevreesd, bezorgd, blo, huiverig, in spanning, kleinhartig, laf, lafhartig, nerveus, ongerust, schijterig, schrikachtig, schuchter, schuw, timide, vervaard, vol spanning, vreesachtig
bevreesd (bn) :
angstig, angstvallig, bang, bangelijk, bedeesd, beducht, benauwd, beschroomd, bezorgd, huiverig, kleinhartig, laf, lafhartig, nerveus, ongerust, schijterig, schrikachtig, schuw, vervaard, vreesachtig
vreesachtig (bn) :
angstig, angstvallig, bang, bangelijk, bangig, beducht, kleinhartig, kleinmoedig, kopschuw, laf, lafhartig, schichtig, schuchter, schuw
flauw (bn) :
afgezaagd, geesteloos, halfslachtig, laf, melig, smakeloos, vervelend, zouteloos, zoutloos
futloos (bn) :
bloedarm, flauw, geesteloos, inert, laf, lam, lamzalig, loom, lusteloos, slap, verslapt, zwak
zoetsappig (bn) :
flauw, flemend, halfzacht, honingzoet, laf, slap, zalvend, zoetelijk, zoeterig, zouteloos
loom (bn) :
futloos, laf, langzaam, log, maf, mat, paf, pafferig, slap, slaperig, suf, traag
lafhartig (bn) :
bang, kleinmoedig, laf, laffelijk, zwak
kleinzielig (bn) :
benepen, enghartig, kleingeestig, laf
smakeloos (bn) :
flauw, geesteloos, laf
schijterig (bn) :
bang, laf, slap
karakterloos (bn) :
laag, laf

woordverbanden van ‘laf’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

Vrees achtig en bang zien beide op gebrek aan stoutmoedigheid; het eerste vloeit meer voort uit de geheele persoonlijkheid, uit het karakter van den vreesachtige; bang is dikwijls meer van voorbijgaanden aard, en vaak het gevolg van uitwendige omstandigheden. De haas is vreesachtig. Hij is bang in het donker. Laf ziet op gebrek aan moed; versaagd op gebrek aan volharding of tegenwoordigheid van geest in hachelijke omstandigheden; onversaagd is hij, die zich niet licht laat afschrikken, noch door tegenspoed, noch door hindernissen of gevaren. De bloode heeft gebrek aan vrijmoedigheid in het gezelschap van vreemden of tegenover meerderen. In het zelfstandig naamwoord bloodaard ligt echter altijd het begrip van lafhartigheid.

flauw, laf

Flauw is eigenlijk zacht, mat, zonder kracht, en zonder goed waarneembaren smaak. Laf is wat smakeloos en krachteloos is; het is sterker dan flauw, ook figuurlijk. Laffe praatjes zijn nog vervelender dan flauwe praatjes.

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, blz. 356:

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

laf
dapper, ferm, gekruid, heldhaftig, kruidig, manhaftig, moedig, pittig, stoutmoedig

woorden met een verwante vorm:

zie ook:

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband en voorbeeldzinnen:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0026 c