kloek

als woordenboektrefwoord:

kloek:
bn. bw. (-er, -st), sterk ; gezond ; degelijk ; moedig , flink.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

kloek (zn) :
kip, hen, moederkip, klokhen
kloek (zn) :
broedhen
kloek (bn) :
flink, stevig, groot, fors, fris, kant, robuust, fiks, struis, ferm
kloek (bn) :
stoer, moedig, energiek, krachtig, dapper, kordaat, onversaagd

als synoniem van een ander trefwoord:

dapper (bn) :
flink, stoer, stout, moedig, gewaagd, onbevreesd, heldhaftig, vrijmoedig, gedurfd, stoutmoedig, onverschrokken, fier, ferm, kloek, heroïek, manmoedig, onvervaard, manhaftig, koen, onversaagd, onbeschroomd, kloekmoedig
flink (bn) :
stevig, behoorlijk, pittig, belangrijk, gezond, sterk, echt, goed, knap, aardig, groot, fors, erg, aanzienlijk, degelijk, kras, robuust, potig, kranig, kwiek, fiks, struis, kloek, terdege, duchtig, aan de maat, pront
krachtig (bn) :
hard, gespierd, flink, machtig, straf, sterk, energiek, fors, levendig, doortastend, kras, robuust, potig, kloek, manmoedig, impressief
moedig (bn) :
flink, sterk, onbevreesd, dapper, heldhaftig, stoutmoedig, onverschrokken, kranig, kloek, onvervaard, manhaftig, koen, onversaagd
fris (bn) :
vers, opgewekt, nieuw, pittig, vrolijk, fit, levendig, onbevangen, monter, kloek, onbevooroordeeld
kordaat (bn) :
wakker, stoer, flink, vastberaden, dapper, doortastend, vastbesloten, struis, ferm, kloek
onversaagd (bn) :
moedig, onbevreesd, dapper, stoutmoedig, onverschrokken, kloek, onvervaard, kloekmoedig
fors (bn) :
stevig, flink, zwaar, krachtig, groot, robuust, potig, struis, kloek, rijzig
robuust (bn) :
stevig, stoer, gespierd, flink, sterk, krachtig, fors, potig, struis, kloek
ferm (bn) :
flink, behoorlijk, moedig, dapper, fors, robuust, fiks, kordaat, kloek
heldhaftig (bn) :
moedig, dapper, heroïsch, kloek, heroïek, manhaftig, onversaagd
stoer (bn) :
flink, geblokt, robuust, kordaat, ferm, kloek, koen, forsig
kant (bn) :
welgevormd, flink, in orde, naar behoren, kloek
struis (bn) :
stevig, krachtig, kloek, zwaargebouwd, forsig
fiks (bn) :
robuust, ferm, kloek
stram (bn) :
kordaat, kloek
sterk (bn) :
kloek
klok (zn) :
kloek
klokhen (zn) :
kloek

woordverbanden van ‘kloek’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

worden gezegd van hem, die aan gevaren en moeilijkheden het hoofd weet te bieden. Moedig, onbevreesd, onversaagd drukken dit in het algemeen uit. Moedig is een positief begrip, het duidt het bezitten van moed aan en is een gevolg van vertrouwen op zijne krachten; onbevreesd is negatief: het geeft het ontbreken van vrees aan, ei) wordt daardoor gelijkbeteekenend met moedig; onversaagd is zonder versagen; het geeft te kennen dat men den moed niet verliest, al komt er tegenspoed en al dreigt er gevaar. Het heeft dus de bijgedachte van: het plan niet opgevend. Onverschrokken is hij, die voor niets terugschrikt, die alles durft wagen. Wakker ziet vooral op het bezit van ijver en waakzaamheid. Kloek of kloekmoedig is wie zich in al zijn doen en laten mannelijk gedraagt; dapper, wie zich mannelijk gedraagt, vooral in den strijd, en niet vreest om moeilijkheden, die anderen gaarne ontwijken, het hoofd te bieden; koen (dat meer en meer in onbruik komt in de gewone taal) en stout of stoutmoedig, wie het gevaar minacht en waagt te ondernemen, wat anderen onbereikbaar schijnt; driest wie zich om zijn doel te bereiken, niet alleen door geene gevaren of moeilijkheden, maar zelfs door geene bedenkingen van recht en billijkheid laat terughouden. Het driest geweld.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

kloek
klein, lafhartig, mini, slap, tam, zwak

woorden met een verwante vorm:

zelfstandig naamwoord

bij andere sites:

synoniemen-sites:
algemene woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband en voorbeeldzinnen:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0036 c