zijn

als woordenboektrefwoord:

zijn:
(ben, was, geweest), wezen.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

zijn (ww):
aanwezig zijn, staan, uithangen, verkeren, vertoeven, verwijlen, zich bevinden, zitten
zijn (ww):
gebeuren, optreden, voorkomen, voorvallen
zijn (ww):
bedragen, belopen, kosten, maken
zijn (ww):
bestaan, existeren, wezen
zijn (ww):
behoren aan, toebehoren
zijn (ww):
vertegenwoordigen
zijn (ww):
leven
zijn (zn):
aanwezigheid, bestaan, existentie, leven
zijn (zn):
aard, natuur, persoonlijkheid, wezen
zijn (vnw):
z'n

als synoniem van een ander trefwoord:

zitten (ww) :
bivakkeren, blijven, pozen, resideren, schuilen, uithangen, verblijven, verkeren, vertoeven, verwijlen, waren, wonen, zetelen, zich bevinden, zich ophouden, zich schuil houden, zijn
voorkomen (ww) :
bestaan, gebeuren, geschieden, gevallen, optreden, spelen, verkeren, voorvallen, zich voordoen, zijn
vertoeven (ww) :
bivakkeren, toeven, uithangen, verblijven, verwijlen, zich bevinden, zich ophouden, zijn, zitten
zich bevinden (ww) :
uithangen, verblijven, verkeren, vertoeven, verwijlen, zich ophouden, zijn, zitten
verblijven (ww) :
bivakkeren, logeren, resideren, toeven, vertoeven, wonen, zich ophouden, zijn
liggen (ww) :
verblijf houden, vertoeven, zich bevinden, zijn
maken (ww) :
bedragen, belopen, komen op, kosten, worden, zijn
leven (ww) :
bestaan, existeren, in leven zijn, zijn
optreden (ww) :
functie vervullen, rol vervullen, zijn
komen op (ww) :
bedragen, belopen, kosten, maken, zijn
steken (ww) :
bevinden, vertoeven, zijn, zitten
wezen (ww) :
bestaan, existeren, zijn
uithangen (ww) :
rondhangen, zijn, zitten
uitmaken (ww) :
betekenen, vormen, zijn
bestaan (ww) :
voorkomen, wezen, zijn
vormen (ww) :
uitmaken, zijn
staan (ww) :
liggen, zijn
natuur (zn) :
aanleg, aard, complexie, geaardheid, gestel, inborst, karakter, neiging, persoonlijkheid, profiel, temperament, type, wezen, zijn
bestaan (zn) :
doen en laten, existentie, existeren, handel en wandel, leven, zijn
aanwezigheid (zn) :
bijzijn, presentie, tegenwoordigheid, voorkomen, wezen, zijn
leven (zn) :
aanzijn, bestaan, hachje, verblijven, vita, wonen, zijn
wezen (zn) :
aanwezigheid, bestaan, zijn
existentie (zn) :
bestaan, leven, zijn

woordverbanden van ‘zijn’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
wezen, zijn, bestaan, bestanddeel, zelfstandigheid

WEZEN, ZIJN, BESTAAN, BESTANDDEEL, ZELFSTANDIGHEID

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 1, bladzijde 418.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

zie ook:
aan de drank zijn, aan de rol zijn, aan iets bekocht zijn, aan zijn laars lappen, aan zijn lot overlaten, aandachtig zijn, aanwezig zijn, absent zijn, afhankelijk zijn van, afkomstig zijn, afkomstig zijn van, alcoholverslaafd zijn, attent zijn, bang zijn, bedacht zijn, bedacht zijn op, begeerlijk zijn, begraven zijn, behulpzaam zijn, belust zijn, beu zijn, bewust zijn, bezig zijn, bij machte zijn, boven zijn water, buiten zijn oevers treden, dankbaar zijn voor, de baas zijn, definitief zijn, doodsbang zijn, droevig zijn, duidelijk zijn, een afspiegeling zijn van, eigen zijn, gaande zijn, gebaseerd zijn, geboren zijn, gehecht zijn, geldig zijn, gelegen zijn, genegen zijn, gepast zijn, geschikt zijn, geschikt zijn voor, gesteld zijn op, gevestigd zijn, gewoon zijn, gewoonlijk zijn, geworteld zijn in, gezeten zijn, gunstig zijn, hangerig zijn, het geval zijn, hoorbaar zijn, in afwachting zijn van, in bedrijf zijn, in bloei zijn, in de rouw zijn, in dienst zijn, in dubio zijn, in het bezit zijn van, in leven zijn, in opkomst zijn, in opmars zijn, in slaap zijn, in staat zijn, in verwachting zijn, in zijn eer herstellen, in zijn geheel, in zijn sas, in zijn uppie, juist zijn, karig zijn met, kleverig zijn, langs zijn neus weg, lekker zijn, lid zijn van, machtig zijn, meester zijn, mogelijk zijn, nodig zijn, nuttig zijn, onderweg zijn, ontrouw zijn, op komst zijn, op til zijn, op zijn gemak, op zijn hoede, op zijn hoede zijn, op zijn hoede zijn, op zijn laatst, op zijn langst, op zijn nummer zetten, op zijn qui-vive zijn, op zijn qui-vive zijn, op zijn tellen passen, op zijn verhaal komen, ophanden zijn, opzichtig zijn, overtuigd zijn, serieus zijn, spannend zijn, sprake zijn van, te krap zijn, te slim af zijn, tegenwoordig zijn, tegenwoordig zijn bij, ter wille zijn, toegedaan zijn, toegedaan zijn aan, toegelaten zijn, toegestaan zijn, tot last zijn, treurig zijn, trots zijn, uit zijn humeur, uit zijn vel springen, van belang zijn, van dienst zijn, van invloed zijn, van kracht zijn, van mening zijn, van plan zijn, van toepassing zijn, van zijn mening terugkomen, van zijn stokje gaan, van zijn stuk, verborgen zijn, vergeven zijn, verholen zijn, verkleefd zijn, verknocht zijn, verplicht zijn, vervuld zijn, vol zijn van, vóór zijn, voor zijn karretje spannen, voornemens zijn, waard zijn, waardig zijn, welvarend zijn, welvoeglijk zijn, witheet zijn, woedend zijn, zat zijn, zich bewust zijn van, ziedend zijn, zijn behoefte doen, zijn beklag doen over, zijn beloop krijgen, zijn biezen pakken, zijn dienst verlaten, zijn gevoeg doen, zijn post verlaten, zijn stem uitbrengen, zijn van, zoals daar zijn, zwanger zijn

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0039 c