vatten

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

vatten (ww) :
vastpakken, grijpen, beetpakken, aanpakken
vatten (ww) :
vangen, arresteren, snappen, gevangennemen
vatten (ww) :
verkrijgen, besmet worden, oplopen, opdoen
vatten (ww) :
begrijpen, snappen, beseffen, doorhebben
vatten (ww) :
aanrijden
vatten (ww) :
inhalen

als synoniem van een ander trefwoord:

begrijpen (ww) :
inzien, opmaken, voelen, bevatten, verstaan, kunnen plaatsen, doorzien, afleiden, volgen, opvatten, interpreteren, aanvoelen, snappen, beseffen, vatten, doorhebben, expliciteren
beseffen (ww) :
inzien, weten, voelen, begrijpen, aanvoelen, vatten, doorkrijgen, onderkennen, gevoelen, zich realiseren, zich bewust zijn van
arresteren (ww) :
oppakken, vastzetten, pakken, vangen, aanhouden, in hechtenis nemen, vatten, inrekenen, in de kraag grijpen, gevangennemen
inzien (ww) :
weten, erkennen, verstaan, begrijpen, zien, bespeuren, snappen, beseffen, vatten, doorhebben, onderkennen, zich realiseren
horen (ww) :
opvangen, bevatten, vernemen, verstaan, opmerken, begrijpen, waarnemen, te horen krijgen, vatten, bemerken, capteren
opdoen (ww) :
behalen, verkrijgen, grijpen, oppikken, verwerven, oplopen, krijgen, innemen, vatten, meekrijgen, op de kop tikken
nemen (ww) :
pikken, pakken, grijpen, vastgrijpen, beetpakken, snappen, aangrijpen, beetnemen, graaien, vatten, grissen
gevangennemen (ww) :
vastzetten, oppakken, pakken, arresteren, vatten, inrekenen, vastkrijgen, gevangenmaken, klissen
bevatten (ww) :
inzien, doorgronden, denken, verstaan, begrijpen, snappen, vatten, doorhebben, zich voorstellen
vangen (ww) :
pakken, strikken, boeien, snappen, vatten, verstrikken, verstrengelen, omstrikken, klissen
grijpen (ww) :
pakken, nemen, vastgrijpen, beetpakken, aanpakken, omvatten, omklemmen, vatten, aanvatten
pakken (ww) :
opnemen, aannemen, nemen, grijpen, beetpakken, vatten, vastnemen, aanvatten
beetpakken (ww) :
grijpen, vastgrijpen, aanpakken, aangrijpen, omklemmen, vatten, aanvatten
snappen (ww) :
inzien, bevatten, verstaan, begrijpen, doorzien, vatten
betrappen (ww) :
pakken, snappen, verrassen, vatten, opdoen, attraperen
inhalen (ww) :
vatten, voorsteken, voorbijsteken, voorbijrijden
oplopen (ww) :
te pakken krijgen, krijgen, vatten, opdoen
aanschouwen (ww) :
overwegen, inzien, opmerken, vatten

woordverbanden van ‘vatten’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

Iemand, die iets kwaads gedaan heeft, in zijn macht krijgen. Betrappen is eigenlijk in de trappe of val loopen, en duidt dus een op listige wijze bemachtigen aan, op het oogenblik dat de daad gepleegd wordt. Verrassen geeft te kennen, dat men den kwaaddoener te vlug geweest is, zoodat hij niet heeft kunnen ontkomen. Vangen geeft te kennen, dat vóór het grijpen eenige poging om te ontkomen heeft plaats gehad, terwijl vatten de bloote daad van grijpen aanduidt. Eindelijk betrapte hij den dief. Wij hebben hem verrast; hij kon dus niet ontkennen. Ik ving den nachtelijken bezoeker nog net door hem bij een pand van zijne jas te grijpen. Door den dienaar der gerechtigheid is de booswicht gevat en in verzekerde bewaring gebracht.

Eene zaak goed doorzien en verstaan. Inzien duidt dit meer algemeen aan. Begrijpen is het verband zien, dat er tusschen de deelen van het een of ander, eene redeneering of handeling, bestaat; het zegt minder aangaande de inspanning, die voor de daad van verstaan noodig is geweest; in de spreektaal wordt hiervoor ook vatten gebruikt. Bevroeden sluit in, dat zij veel nadenken en scherpzinnigheid heeft vereischt. Doorgronden is, evenals doorzien, de geheime drijfveeren zien, doordringen tot het innerlijk, datgene, wat minder gemakkelijk te begrijpen is, niet oppervlakkig, maar door en door verstaan. Zie onder begrijpen.

Iets 'met de hand bemachtigen. Vangen onderstelt, dat men op het voorwerp jacht heeft gemaakt; vatten en pakken, welk laatste woord meer in de spreek- dan in de schrijftaal gebruikt wordt, zien meer op de daad van het bemachtigen; grijpen onderstelt, dat men er zich van meester maakt door eene snelle beweging. Men vangt visschen en vogels met netten. Een dief wordt gegrepen, gevat en gepakt. De moeder val het kind bij de hand om het te beveiligen. Hij pakt wat hij krijgen kan. In hare ontsteltenis greep zij mij plotseling bij den arm.

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, blz. 328:

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, blz. 222:

grijpen, vangen, vatten

in Nederduitsche synonymen (1836), band 1, blz. 252:

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 3, blz. 218:

vatten, bevatten

woorden met een verwante vorm:

werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord

zie ook:

bij andere sites:

synoniemen-sites:
algemene woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband en voorbeeldzinnen:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0035 c