pakken

als woordenboektrefwoord:

pakken:
(pakte, gepakt), tot een pak maken; inpakken; zijn biezen pakken, vluchten ; de spreker pakt, boeit; vangen, grijpen ; het lelijk te pakken hebben, zwaar verkouden zijn ; (ook) ernstig ziek zijn.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

pakken (ww) :
vangen, arresteren, aanhouden, betrappen, snappen, inrekenen, gevangennemen
pakken (ww) :
opnemen, aannemen, nemen, grijpen, beetpakken, vatten, vastnemen, aanvatten
pakken (ww) :
houden, kleven, blijven zitten
pakken (ww) :
aanspreken, boeien, fascineren
pakken (ww) :
treffen, ontroeren, aangrijpen
pakken (ww) :
gebruiken, drinken, consumeren
pakken (ww) :
beetnemen, benadelen, duperen
pakken (ww) :
stelen, inpikken, wegnemen
pakken (ww) :
verpakken, inpakken
pakken (ww) :
inslaan, aanslaan
pakken (ww) :
omhelzen, omarmen
pakken (ww) :
oplopen, krijgen
pakken (ww) :
hinderen
pakken (ww) :
lukken

als synoniem van een ander trefwoord:

vrijen (ww) :
naaien, pakken, wippen, rammen, nemen, pompen, poepen, knuffelen, bibberen, liefhebben, bonken, flikflooien, palen, neuken, bijslapen, beminnen, pezen, soppen, ketsen, seks hebben, rollebollen, fokken, vogelen, liefkozen, bonzen, seksen, emmeren, kieren, kroelen, minnen, vozen, rampetampen, tortelen, dreutelen, minnekozen, kezen, flensen, coïteren, bedvogelen, fleppen, geslachtsgemeenschap hebben, de geslachtsdaad verrichten, figuurzagen, cohabiteren
neuken (ww) :
naaien, pakken, wippen, rammen, nemen, pompen, poepen, vrijen, bibberen, van bil gaan, bonken, palen, bijslapen, naar bed gaan met, slapen met, beminnen, pezen, soppen, ketsen, rollebollen, vogelen, seksen, emmeren, kieren, minnen, vozen, rampetampen, poken, dreutelen, kezen, flensen, coïteren, een beurt geven, de geslachtsdaad verrichten, cohabiteren, geslachtsgemeenschap hebben, het doen, een punt zetten, fleppen
houden (ww) :
stuiten, pakken, stoppen, grijpen, vastgrijpen, bedwingen, tegenhouden, vasthouden, handhaven, afstoppen, terughouden, beethouden
arresteren (ww) :
oppakken, vastzetten, pakken, vangen, aanhouden, in hechtenis nemen, vatten, inrekenen, in de kraag grijpen, gevangennemen
aanspreken (ww) :
bevallen, pakken, lijken, zinnen, bekoren, verheugen, boeien, liggen, behagen, aanstaan, verblijden, vergenoegen
nemen (ww) :
pikken, pakken, grijpen, vastgrijpen, beetpakken, snappen, aangrijpen, beetnemen, graaien, vatten, grissen
opnemen (ww) :
oppakken, opbeuren, pakken, optillen, oplichten, oppikken, opheffen, oprapen, omhoogtillen, omhooghalen
gevangennemen (ww) :
vastzetten, oppakken, pakken, arresteren, vatten, inrekenen, vastkrijgen, gevangenmaken, klissen
inrekenen (ww) :
oppakken, pakken, opleiden, arresteren, in hechtenis nemen, in de bak stoppen, gevangenzetten
vangen (ww) :
pakken, strikken, boeien, snappen, vatten, verstrikken, verstrengelen, omstrikken, klissen
grijpen (ww) :
pakken, nemen, vastgrijpen, beetpakken, aanpakken, omvatten, omklemmen, vatten, aanvatten
nemen (ww) :
pakken, aanschaffen, verwerven, bemachtigen, wegnemen, bietsen, toe-eigenen, ontfutselen
gebruiken (ww) :
pakken, nuttigen, nemen, eten, drinken, consumeren, innemen, verorberen, tot zich nemen
ontroeren (ww) :
schokken, treffen, pakken, roeren, bewegen, aandoen, vertederen, emotioneren
wegnemen (ww) :
pakken, stelen, kapen, roven, wegkapen, toe-eigenen, wegpakken, gappen
inpikken (ww) :
pakken, veroveren, toe-eigenen, gappen, achteroverdrukken
betrappen (ww) :
pakken, snappen, verrassen, vatten, opdoen, attraperen
aangrijpen (ww) :
pakken, nemen, waarnemen, beetpakken, aanvatten
kloppen (ww) :
pakken, verslaan, afdrogen, overwinnen, inmaken
omhelzen (ww) :
pakken, omarmen, in de armen drukken
oppakken (ww) :
opnemen, pakken, optillen, oprapen
snappen (ww) :
pakken, vangen, grijpen, betrappen
omarmen (ww) :
omhelzen, pakken, omstrengelen
pikken (ww) :
pakken, nemen, kiezen
hebben (ww) :
pakken, vasthouden
inpakken (ww) :
pakken, opkramen
halen (ww) :
pakken, grijpen

woordverbanden van ‘pakken’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

Iets 'met de hand bemachtigen. Vangen onderstelt, dat men op het voorwerp jacht heeft gemaakt; vatten en pakken, welk laatste woord meer in de spreek- dan in de schrijftaal gebruikt wordt, zien meer op de daad van het bemachtigen; grijpen onderstelt, dat men er zich van meester maakt door eene snelle beweging. Men vangt visschen en vogels met netten. Een dief wordt gegrepen, gevat en gepakt. De moeder val het kind bij de hand om het te beveiligen. Hij pakt wat hij krijgen kan. In hare ontsteltenis greep zij mij plotseling bij den arm.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

pakken
geven, loslaten, uitpakken

woorden met een verwante vorm:

werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord

zie ook:

bij andere sites:

in het Verwarwoordenboek van Jan Renkema:
synoniemen-sites:
algemene woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband en voorbeeldzinnen:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0053 c